SOMMERLAND

OVER MIJ. Ik ben een chaoot en kan geen drie regels schrijven zonder twee te schrappen, vaak alle drie, of er blijven een paar woorden over. Mijn tekst of beeld moet ik opdiepen uit de chaos die ik zelf creëer: aarzelen, proberen, scheuren, schuiven, opnieuw beginnen. Eén associatie roept weer vele andere op. Soms blijft het een zootje, soms ontstaat er iets dat van mij is: een tekening, een tekst, een fragment. En sommige daarvan komen op deze blog terecht .

Met dank aan de theologie, de kunstakademie en de vele tussenstations. En heel speciale dank aan Flannery O’Connor: ‘Every thing that rises must converge’. Zij heeft mij iets doen begrijpen.

STRANGE BIRD. Over Flannery O’Connor 1925 – 1964

Wegens haar chronische ziekte bracht Flannery O’Connor de tweede helft van haar leven door op ‘Andalusia’, de farm van haar moeder in Midgeville, Georgia, V.S. Daar schreef ze twee novels, zo’n dertig stories en stapels brieven. Regina, haar moeder, fokte koeien, Flannery fokte vogels, Het grotere slag. Als kind hield ze er al een kleine menagerie op na. Speciaal was haar bronskleurige Bantam kip: zij liep vooruit en achteruit. Bijzonder genoeg om er een nieuwsfotograaf op af te sturen. ‘En vanaf die dag begon het’, schrijft ze. ‘Ik begon kippen te verzamelen. Wat als een milde interesse was begonnen werd een passie, een queeste. Favoriet waren die met met één oog groen en het andere oranje’. Na de kippen kwamen de fazanten, kalkoenen, kwartels, eenden en ganzen. Als laatste kwamen de pauwen. ‘Ik werd niet geleid door kennis, maar door instinct’, vertelt ze. ‘Ik had er nog nooit een gezien of gehoord’. Het pauwenvolk vermeerderde zich al snel tot een veertigtal, nam bezit van bomen, daken en hekken en nestelde zich in Regina’s bloementuin. Er kwamen bezoekers op af. Ze schrijft: ‘pauwen laten zich niet beïnvloeden. Alleen als het hen zelf uitkomt spreiden ze hun staart. Soms draait een pauw zich om en kijkt je aan. Dan zie je in de groenbronzen boog om hem heen een Melkweg met een halo van zonnen. Dat is het moment waarop de mensen zwijgen’.

Flannery O’Connor stierf in de tijd van de zwart-wit fotografie. Haar beeltenissen op foto’s bestaan uit verschillende tonen grijs. Op sommige foto’s kijkt ze je aan: onderzoekend, nurks, freaky, ontwapenend. Ze had grote blauwe ogen werd van haar gezegd. Veel van haar personages hebben ook blauwe ogen. Ik stel me een kleurenfoto voor: een troep kakelbonte vogels. Flannery – met krukken – steekt er bovenuit. A Strange Bird at the Right Place.

DE MATRIARCH. DE HELE WERELD IN HAAR KOP. KOPPIJN

KRAAIEN

IN DE OCHTENDSCHEMER VLIEGT ER STEEDS EEN ZWERM ZWART GEKRAKEEL OVER MIJN HUIS:

GOEIEMORGEN!

DEZE VERSTOFTE VETERAAN IS MIJN RELIKWIE.

Rolf Kruger: de Emma mijn

DE EMMA was een monster. Ze had vier schachten, negen koeltorens en zesduizend knechten onder de grond. Aan de Emma kon je niet ontkomen: ze lag naast je achtertuin, ze drong in je huis, ze zat in je lijf en ze kroop in je longen. Je hoorde haar kooien in de schacht, de kolenkarretjes op de rails en je rook haar zoetige zweet dat als een deken over alles heen lag. Er hing altijd vocht rond de Emma. ’s Nachts leek de verlichte en met mist omfloerste mijn uit een andere wereld te komen: een rommelend, piepend, schurend en sissend organisme, dat zich dampend in de bovenwereld drong. De Emma sliep nooit, ze wroette onder je bodem, ze beulde je af en ze vrat je op. De Grote Moeder.

KINDEREN VAN DE KOEL, SNOTNEUS EN EEN ZWARTE SMOEL

EEN TEKENING IS EEN VERHAAL MET ANDERE MIDDELEN

MIJN VERBEELDING IS MIJN HUIS, IK VIND ER ALTIJD WEER ONDERDAK

JACOB

DE ZUIDERZEE. In 1921 valt er in de haven van Enkhuizen een joch van het schip. Jacob is zijn naam. Jacob wordt met moeite gered. Hij is verward en radeloos, wil terug in het water. ‘Ik heb het paradijs gezien’, roept hij, ‘echt waar, ik heb het paradijs gezien, laat me toch gaan’. De schippers kunnen hem nauwelijks in bedwang houden en hij schopt hun schenen blauw. ‘Hij is gek geworden’ zeggen ze, ‘wie ziet er nu een paradijs onderwater?’ Jacob wordt aan wal gebracht en de omstanders hebben met hem te doen. ‘En als hij daar zo verloren en bibberend staat en iemand een arm om hem heen slaat ‘kom Jacob, we brengen je naar huis’, dan rukt hij zich los, ‘ik wil alléén naar huis. Rennend en struikelend gaat hij ervan door. Een schipper pakt zijn fiets en fietst naast hem op. Als ie thuiskomt staat zijn ouwe hem al op te wachten: een klap voor zijn kop, een trap onder zijn kont en Jacob rent naar binnen. ‘Hé, stop daar eens mee, hij is van het schip gevallen en was bijna verdronken!’. ‘Zó, hat ie daar maar bleve, er komt niks geen goeds uit die jankebal, lazer op!’. ‘Arm joch, arm joch’, de schipper weet: voor Jacob moet het ergste nog komen.
Op de kade blijft men zich afvragen wat er met Jacob is gebeurd. ‘Waarom ziet ie het paradijs in het water?’ ‘Het is die ouwe’, zegt een van de mannen, ‘dat joch wordt voor rot geslagen door die smeerlap. Misschien is er iets mis gegaan, is er iets in zijn kop gebeurd? Op een dag vermoordt ie ‘m.
‘Na enkele dagen verschijnt Jacob weer regelmatig op de kade. Hij staart voortdurend naar de plaats waar hij bijna verzopen was. Hij is veranderd, of ie niemand om zich heen verdraagt. Jacob is iets kwijt.

IK HEB HET PARADIJS GEMIST
HET HEMELSE LICHT DAT GLOORDE
BIJNA VERZOPEN WAS IK
MAAR ZE HEBBEN ME OPGEVIST

IK WAS VAN HET SCHIP GEGLIST
EN ZONK WEG IN HET DUISTER
HEEL LEISE EN STIL WAS HET DAAR
GEDRAM IN MIJN KOP WERD GEFLUISTER

EN TERWIJL IK ZACHTJES DE KLOKKEN HOORDE
VERSCHEEN OPEENS DAT VREMENDE LICHT
HET HEMELSE LICHT DAT GLOORDE
MAAR IK WERD OPGEVIST

IK HEB HET PARADIJS GEMIST
ALLES WAS LICHT, ZONDER ZWAARTE
MAAR ZE HEBBEN ME OPGEVIST
ACH, WAS IK DAAR TOCH GELATEN.....

AFSCHEID

Jacob bezoekt zijn oma voor hij vertrekt: ‘Lieve oma, ik moet nu gaan, het schip wacht. Ik blijf altijd aan je denken. Ik kom weer terug’.

‘Tabé mijn jongen, blijf vertrouwen op je paradijs. Hier, ik geef je dit prentje van je moeder. Ze heeft van je gehouwen. Ze is bij je’.

Op zijn vijftiende wordt Jacob geronseld voor de KNIL. Zijn rusteloze zwerven is begonnen. Het prentje zwierf zijn hele leven met hem mee. Voordat hij stierf gaf hij het aan zijn dochter.

FLANNERY O’C0NNOR

Flannery O’Connor

Een paar jaar geleden zag ik bij Atheneum The Complete Stories van Flannery O’Connor liggen, de biografie ernaast. Ik had niets van haar gelezen, maar ze was lang geleden voorbij gekomen in een les Amerikaanse literatuur. Ik bladerde de boeken door en ik meende er iets in te herkennen. Ik kocht ze. Thuis kwamen ze in de boekenkast terecht en daar bleven ze staan. En toen stierf Fien. Ik kende haar goed, Fien was bijzonder en complex. Je moest altijd op je hoede zijn: ze peuterde geheimen los. Maar als ze begon te vertellen was ze meesterlijk, de beste verteller die ik heb gekend. Toen ik thuis van de begrafenis weer wat bijgekomen was dook Flannery O’Connor in mijn hoofd. Ik pakte haar Stories en tijdens het lezen kwam weer diezelfde herkenning en ik begreep ook waarom ik het boek toen gekocht had: de verhalen spelen zich af in het zuiden van de Verenigde Staten, maar doen denken aan het tragikomische gebeuren hier, in mijn Donkere Zuiden: altijd weer verhalen waar een scheur in zit. En die gaat diep onder de grond. Het katholieke oog kijkt anders.

MON AMOUR

DE MOT IN HAAR HOOFD VREET GESTAAG HAAR LIEFDES OP, ALS LAATSTE DE KAT

HET VOORGEBORCHTE DER KINDEREN, TITEL VOOR EEN VERHAAL

HET VOORGEBORCHTE DER KINDEREN WAS IN HET KATHOLICISME EEN PLEK NAAST DE HEMEL WAAR DE ONSCHULDIGE MAAR ONGEDOOPTE KINDEREN VERBLEVEN.

EEN HUIS IN VAALS

ZE KWAMEN UIT LUIK, CHARLEROI EN LONGWY
LES PETITS IDIOTS DU HAUT BOURGEOISIE.
ZE LAGEN IN VAALS IN DE BOSSEN VERSCHOLEN
ZE ROKEN NOG STEEDS NAAR STAAL EN NAAR KOLEN.

'ACH, DIE SCHONKIGE LIJFJES AAN BEDJES GEKLUISTERD
ZIJN BIJ LEVEN AL DOOD', ZO WERD ER GEFLUISTERD.
DAT WAS NIET WAAR, WANT'S NACHTS BIJ HELDERE MAAN
VIEL ER LICHT OP HUN OGEN: ZE KEKEN JE AAN.

SOMS, ‘S MORGENS VROEG, EEN AUTO DIE WACHT,
EEN KARRETJE WORDT NAAR BUITEN GEBRACHT.
DAN GAAN WE KIJKEN: 'WELK BEDJE IS LEEG?
'OCHERM, COCO, VAARWEL LIEVE JONGEN, SLAAP ZACHT                        

Rilke: Da wachsen kinder auf an Fönsterstufen, / die immer in denselben Schatten sind / und wissen nicht das draussen Blumen rufen / von einer Tag vol Weite, Glück und wind / und müssen Kind sein und sind traurig Kind.

IK BEN NIET BANG IK BEN NIET BANG IK BEN ZO BANG!